×
footer logo
© 2017 VICE Media LLC
×
 

Van de gevangenis tot de Bundesliga: het verhaal van trainer Robert Roelofsen

LR
Lennaert Rooijakkers, Foto's door: Foto via Mvzeitnah

October 17, 2017, 12:27

Robert Roelofsen (47) is geen bekende naam in het Nederlandse trainersgilde.

Robert Roelofsen (47) is geen bekende naam in het Nederlandse trainersgilde. De Fries heeft hier dan ook nooit als trainer gewerkt, maar hij maakte met wat geluk wel naam in Duitsland en schopte het tot assistent-trainer bij VfL Wolfsburg. Daarna volgden wat baantjes als gymdocent en postbode, maar ook voetbalavonturen in Indonesië, Libië en de Faeröer Eilanden. Dit is zijn verhaal.


“Ik heb vroeger in de hoogste jeugdcompetities gespeeld bij Drachtster Boys en probeerde altijd profvoetballer te worden. Maar toen steeds meer teamgenoten naar topclubs vertrokken en ik niet, concludeerde ik dat ik niet goed genoeg was. In die tijd werd het Nederlands elftal Europees Kampioen. Toen ik Rinus Michels met die beker zag staan, dacht ik: dat wil ik ook. Dus heb ik mijn leven ingericht om trainer te worden.

Ik volgde een opleiding bij het CIOS en liep op mijn 19e stage in gevangenis Norgerhaven in Veenhuizen, waar allemaal zware jongens zaten. Ontvoerders, meervoudige moordenaars. Daar trainde ik het voetbalteam dat uitkwam in de laagste voetbalcompetitie van Drenthe. We speelden alleen thuiswedstrijden, allemaal op het sportcomplex van de gevangenis, en werden elk jaar kampioen. Het was een goede ploeg, met Nederlandse jongens in de verdediging en Zuid-Amerikaanse drugskoeriers in de aanval. Bij de wedstrijden stonden andere gedetineerden ons achter de raampjes van hun cel aan te moedigen. Sport was een uitlaatklep was voor die jongens, ze waren gemotiveerd om lekker te voetballen. Dat maakte het geen zware klus om met ze te werken.

Alles veranderde toen mijn ex-vrouw in 2002 als handbalprof in Neurenberg ging spelen. Zij stelde als voorwaarde dat ik een baan zou krijgen binnen de voetbalafdeling. Ik schoof aan bij  1. FC Nürnberg om te praten over een parttime contract, maar het eerste gesprek ging zo goed dat ik fulltime aan de slag kon. De Nederlandse jeugdopleidingen waren veel beter dan de Duitse, dus ze wilden mij er graag bij hebben.

Ik had het Duitse voetbal jarenlang niet gevolgd en had geen idee hoe groot de club was waar ik terecht was gekomen. Maar werken bij  1. FC Nürnberg bleek een enorme buitenkans. Ook door de kennismaking met toenmalig hoofdtrainer Klaus Augenthaler en hoofd jeugdopleidingen Peter Hansent, daar zou ik later nog veel aan hebben. Na twee jaar ging mijn ex-vrouw handballen in Rostock en dacht ik: daar moet ik vast ook aan werk kunnen komen.

Ik ben op goed geluk bij Hansa Rostock binnengestapt en heb gevraagd of er werk was. Ook toen kon ik tegen een kleine vergoeding aan de slag binnen de jeugdafdeling, waar ik onder andere Toni Kroos onder mijn hoede kreeg. Na anderhalf jaar kreeg ik tijdens een skivakantie in Frankrijk plots een belletje van Klaus Augenthaler, die net was begonnen als hoofdtrainer bij VfL Wolfsburg. Boven op de piste hoorde ik hem zeggen: ‘Kun je je voorstellen dat…’ Hij hoefde de zin niet eens af te maken, ik heb meteen ja gezegd. Ik ben vanuit Frankrijk teruggereden en zat een paar dagen later in Wolfsburg als assistent van Augenthaler.

Een portret van Roelofsen bij een bijeenkomst van de KNVB. (Foto: Proshots)

Bij de eerste training kwamen twaalfhonderd fans kijken en allerlei cameraploegen versperden de weg naar het veld. Een speler als Kevin Hofland kende ik van het Nederlands elftal, nu stond ik ineens tegenover hem op het trainingsveld. Je wordt geacht heel normaal op de club rond te lopen, je bent immers assistent-trainer. Maar het was niet normaal. Ik hoefde maar om een nieuwe laptop te vragen en de volgende dag stond er een van tweeduizend euro klaar.

Na het eerste seizoen kwam de manager ons kantoor in lopen en zei: een van jullie moet naar Brazilië om een speler te bekijken. Ik stak meteen mijn hand op. Augenthaler vond het prima. Ik ben van Amsterdam naar Sao Paolo gevlogen, heb gedoucht, gegeten, de wedstrijd gezien, geslapen, koffie gedronken, een taxi naar het vliegveld gepakt en ben weer teruggevlogen naar Amsterdam. Alleen de speler waarvoor ik kwam was helemaal niet in actie gekomen. Ik was 36 uur op pad voor niets. Maar in het topvoetbal kan dat allemaal.    

Ik herinner me elke wedstrijd bij Wolfsburg als een feest. Voor de aftrap stond ik altijd even om me heen te kijken om te beseffen dat ik het aardig voor elkaar had. Augenthaler zat al dertig jaar in het topvoetbal, dus op hem maakte alles weinig indruk. Soms zei ik na de wedstrijd tegen hem: man, heb je dat publiek gehoord? Dan vroeg hij me waar ik het over had.

Uiteindelijk heb ik er anderhalf jaar gezeten. Augenthaler en ik hebben de club twee keer behoed voor degradatie. We hadden een contract voor twee jaar, maar moesten toch weg. Felix Magath kwam en die mocht de hele selectie vernieuwen. Twee jaar later werd Wolfsburg landskampioen.

De band met Augenthaler bleef en we hoopten daarna samen weer ergens aan de slag te gaan. Maar na een jaar niets doen kreeg Klaus een baan bij Unterhaching, die club kon mij niet aanstellen. Mijn geld raakte op en ik zag me gedwongen allerlei andere baantjes aan te nemen. Dat is ook niet raar. Als je niet driehonderd Bundesliga-wedstrijden hebt gespeeld, kun je als trainer in Duitsland zo zonder baan zitten.

Weer hielp mijn vrouw me aan werk. We woonden in Trier en via haar kledingsponsor kon ik aan de slag bij een sportwinkel in Luxemburg. Zes dagen in de week reed ik naar Luxemburg en verkocht ik shirtjes van clubs die ik een jaar eerder in de Bundesliga tegenkwam. Maar ik ben geen verkooptype en in Luxemburg heerst een cultuur van werken en je mond houden. Lunchen deed je op een bankje op de parkeerplaats. Na elf maanden was ik het zat en ben ik als gymdocent in Duitsland aan de slag gegaan. Dat was beter maar ook niet echt wat ik zocht. Het was lastig om de stap te maken van het werken met gemotiveerde sporters naar het leiding geven aan en het vermaken van 35 kinderen.

Het was geen leuke tijd. In die periode ben ik gescheiden en heeft mijn cv werkte me vreemd genoeg tegengewerkt. Veel clubs schrokken als ze hoorden waar ik had getraind. Er werd vaak argwanend gereageerd. Kreeg ik van die blikken van: wat doet zo’n man hier? Ik heb bijna dagelijks gesolliciteerd, kon nog wel wat trainingskampen voor de jeugd van AC Milan verzorgen, maar werd nergens aangenomen. Ook niet in Nederland, waar ik een onbekende was. De keren dat ik eens een klusje had, stond ik heel vertwijfeld op het veld. Dan keek ik naar een lichtmast en dacht: een tijd terug stond ik nog in stadions die twee keer zo hoog waren.

Uiteindelijk bracht Peter Hansent, die ik nog kende 1. FC Nürnberg, redding. Een vriend van hem, Michael Feichtenbeiner, ging een team in een nieuwe competitie in Indonesië trainen en zocht een assistent. Die competitie was opgezet door de baas van oliemaatschappij Medco, Arifin Panigoro. Hij schaamde zich zo voor de corruptie in het Indonesische voetbal dat hij besloot een nieuwe, tweede competitie te starten. Hij richtte veertien nieuwe clubs op en vulde de competitie aan met vier bestaande teams. Elke club had een buitenlandse trainer en mocht vier of vijf buitenlanders aantrekken, verder moesten we het met locals doen. 

Michael en ik gingen aanvankelijk een club trainen in Makassar op Sulawesi en wisten totaal niet wat we moesten verwachten. De eerste training was in een park waar een paar jongens op scootertjes aan kwamen rijden, dat bleken de spelers te zijn. Na een tijdje konden we gelukkig onder betere omstandigheden trainen. Maar toen het net een beetje liep, kregen we een telefoontje van de bond dat de club werd verplaatst naar Medan op Sumatra, 4.500 kilometer verderop. Alsof je ineens met je club van Amsterdam naar Kiev verhuist.

Een training op het strand in Indonesië.

In Medan was alles wel een stuk beter geregeld. Ik had een privéchauffeur en woonde in een appartement bovenop een winkelcentrum dat van alle luxe was voorzien: een zwembad, fitnessruimte en een heleboel restaurants. Het ontbrak me aan niets. De faciliteiten op de club, Bintang Medan FC, waren ook goed. Verder deden zich vaak de gekste dingen voor. Als de training om half vier begon, kwam de materiaalman pas op dat moment aan om dingen voor te bereiden. En onze buschauffeur heeft op de heenweg naar een uitwedstrijd eens een vriend thuis afgezet, waardoor we vier uur langer onderweg waren.

Indonesië is totaal voetbalgek, al hebben ze er niet veel verstand van. Als de bal een meter over de middenlijn rolde stond iedereen al te joelen. Ook verschilden de toeschouwersaantallen enorm. Als we tegen een al bestaande club speelden, kwamen er twintigduizend man kijken. Maar de nieuwe teams hadden geen supporters. Dus werden een paar honderd fans van clubs uit dezelfde stad betaald om wat sfeer te komen maken bij ons in het stadion.

Uiteindelijk werd de competitie na een half jaar opgeheven. De Indonesische voetbalbond heeft de competitie nooit erkend. Panigoro verloor in diezelfde periode een paar miljard aan aandelen en de FIFA schorste Indonesië wegens chaos bij de bond, dus de stekker werd uit het project getrokken.  

Na Indonesië heb ik in Nederland een maand of vijf als postbode gewerkt. Geen droombaan, maar na mijn eerdere werk als verkoper en gymdocent wilde ik per se iets doen waarbij ik niet te veel op mijn huid werd gezeten en lekker buiten kon zijn. Een beetje post sorteren, rondjes maken en goed contact met collega’s. Maar natuurlijk bleef ik op zoek naar werk in de voetballerij. In die tijd had ik al een paar keer een vacature voor jeugdtrainer bij Al Ahly in Libië voorbij zien komen. Remco Boere, oud-spits van FC Den Haag, was daar hoofd opleidingen en zocht drie of vier Nederlanders om de jeugd te trainen. Hij vroeg me wat ik in godsnaam in Libië wilde gaan doen, maar ik zei hem dat ik na Indonesië wel wat gewend was.

Het was precies twee jaar na de val van Khadaffi en het land was relatief stabiel.  Ook hoofdstad Tripoli, waar de club zit, was rustig. De jeugd daar is alleen maar met voetbal bezig. Al Ahly is ook een grote club in Afrika en we wonnen bijna alles met goed, aanvallend voetbal. Maar het was wel Libië. ‘Wanneer gaan we naar huis?’ vroeg Boere toen ik er net zat. Als er dicht bij ons een autobom zou ontploffen, daar waren we het over eens. Een paar weken later ontplofte er eentje op vier kilometer van het trainingscomplex. Ik heb er niks van gemerkt.

Langzaam maar zeker raakte ik gewend aan de situatie en merkte ik dat iedereen er het beste van maakte. Je wordt als het ware meegezogen in die cultuur. Buiten de stad werd vaak door allerlei milities gevochten. Ik hoorde dan weleens 25 kilometer verderop een mortier inslaan, maar zoiets is dan toch ver weg. Als er gevochten werd in de stad, reed je een andere route naar de club en na een dag of zes was het vaak weer rustig. Als er in de ene straat iets aan de hand was, hoefde jij er nog geen last van te hebben als je een blok verderop rustig koffie wilde drinken. Door zo te denken ging iedereen door met leven.  

Ik heb me ook niet bedreigd gevoeld. Er stonden wel drie man met machinegeweren bij het hek van ons trainingscomplex, maar in dat land heeft iedereen wapens. De assistent van de A-jeugd had ook een Kalasjnikov in zijn auto liggen. Het leven was leven er niet comfortabel. Ik woonde in een enorm appartement met Arabische meubels van dertig jaar oud. Op mijn bank viel niet te zitten en ik mocht blij zijn als het internet werkte. Ons complex had gelukkig een waterreservoir, want soms was er tien dagen geen water in de stad. De stroom viel ook geregeld uit. Ook tijdens avondwedstrijden. Dan kon je met z’n allen weer naar huis.

Na 11 maanden was het mooi geweest. De samenwerking met de andere Nederlanders verliep stroef en ik zou gaan trouwen in Nederland. Daarvoor was ik nog bijna te laat. Ik kwam pas drie dagen voor de bruiloft terug omdat de bekerfinale waarin we speelden zonder reden een maand was opgeschoven. Ook dat was Libië.  

Roelofsen op de Faeröer Eilanden.

Na Al Ahly heb ik weer half jaar zonder club gezeten. Begin 2014 ben ik teruggegaan naar Hansa Rostock om de beloften te trainen, later ben ik assistent bij het eerste elftal geworden en heb ik zelfs nog een paar weken als interim-hoofdtrainer gewerkt. Tot Peter Hansen weer contact met mij opnam en mij linkte aan Markus Rüdt, het hoofd jeugdopleidingen van VfB Stutgart. Hij organiseerde voetbalkampen op de Faeröer Eilanden en vroeg of ik daar een maand of zes hoofdtrainer wilde worden bij TB Tvöroyri, met als doel Europees voetbal te halen. Ik wilde het eerst nog even aankijken, maar toen ik er naartoe vloog was het contract al opgesteld. Toen ben ik maar gewoon begonnen.

Verhuizen naar de Faeröer Eilanden was na Libië een behoorlijke omslag. Ik ging van een van de onveiligste landen ter wereld naar het veiligste land ter wereld. Je hoeft daar de deur van je huis niet eens op slot te doen en als je je telefoon op straat verliest ligt-ie er drie dagen later nog.

Het was een vrij eenzame tijd. Het leven speelt zich daar vooral binnen af, omdat het weer heel vaak slecht is. Daarnaast zijn de mensen erg gericht op familie. Ik had een enorm huis met uitzicht op de oceaan, het is een geweldig mooi land en het was financieel oké. Maar het werk had soms weinig met betaald voetbal te maken. Toen ik net begon kwam een jongen niet bij de training opdagen omdat zijn vriendin jarig was. Toen ik vroeg of hij zo Europees voetbal dacht te bereiken, zei hij dat er een etentje was voorbereid en hij dat kon natuurlijk niet laten schieten. Alsof je niet een half uur later kan aanschuiven?

Als ik het had gewild, had ik nog 25 jaar op de Faeröer Eilanden kunnen blijven. Het is er prachtig wonen, maar mijn vrouw zat thuis in Hengelo, dus die zag ik amper. Dus toen ik assistent kon worden bij FC Saarbrücken, op het vierde niveau van Duitsland, heb ik dat gedaan.

Het voetbal heeft mij in veertien landen gebracht en ik heb met spelers uit 35 verschillende landen gewerkt, daarvoor ben ik dankbaar. Maar zoiets is alleen mogelijk als je privésituatie meewerkt. Natuurlijk wil ik graag in Nederland werken. Maar ik ben nu 47 en heb nu eenmaal meer aanknopingspunten in Duitsland. Bovendien loopt dat land in het voetbal zo ver op Nederland voor. Maar mijn gezin woont naast het trainingscomplex van FC Twente en toen ik net terugkwam uit Indonesië begon het wel even te knagen. Het blijft gek dat ik tienduizend kilometer moet vliegen om aan een baan te komen, terwijl zo’n club naast de deur ligt.”

Dit is een monoloog uit de serie VICE Sports Avonturiers. Zie hier alle verhalen uit deze serie.

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen:

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen

Logo